Over een Delftsche Hont en eenden in de brouwerij

Over een Delftsche Hont en eenden in de brouwerij

Ik drink geen bier. Een leeg bierflesje neem ik wel eens mee vanwege een fraai vormgegeven etiket. Mijn haar waste ik vroeger met biershampoo voor het verstevigende effect. Champignons in bierbeslag vind ik lekker. Witte wijn smaakt soms naar bier. Dat is het wel. Toen Henri mij vroeg om een kunsthistorische jubileumbijdrage voor de website van zijn Haagse Bierburo moest ik dan ook even slikken. ‘Iets met bier en kunst graag’, was de opdracht. ‘Maar ik ben afgestudeerd op de 17e-eeuwse tekeningen van Paulus Potter?’, dacht ik nog.

Over Potters bierconsumptie is niets overgeleverd. Zijn enige bewezen relatie met bier ligt besloten in de naam van de straat waar hij vanaf 1649 woonde, de Dunne Bierkade 17 in Den Haag. Potter huurde er een huis van de schilder Jan van Goyen die zelf op nummer 16 woonde. Ook Jan Steen verscheen in 1649 op het Haagse toneel. Hij ging samenwerken met Van Goyen en trok bij hem in. Zo woonden drie beroemde schilders uit de Gouden Eeuw korte tijd bij elkaar op de Dunne Bierkade. Potter en Steen vonden er de liefde. Potter trouwde het buurmeisje van nummer 18, Adriana van Balckeneynde. Steen liet zijn oog vallen op Van Goyens dochter Margriet (Griet). Na een paar jaar verlieten beide schilders Den Haag, getrouwd en wel.

Om zijn inkomen aan te vullen, begon Steen in Delft een brouwerij aan de Oude Delft 74, ‘De Roscam’ of ‘De Slange’ geheten. Het vak had hij vermoedelijk geleerd van zijn vader die bierbrouwer en graanhandelaar was in Leiden. Steens brouwsel droeg de naam ‘De Delfsche Hont’ en was berucht vanwege z’n ‘koppigheid’. Steen had zich niet bepaald op een gunstig moment in Delft gevestigd. Het was 1654. De binnenstad was grotendeels verwoest door de ontploffing van het geheime Kruithuis, een gebeurtenis die de geschiedenis inging als de ‘Delftse donderslag’. Hierdoor raakte de plaatselijke economie in het slop. Ook de klandizie van Steens brouwerij liep terug.

Erg succesvol was zijn onderneming sowieso niet. Volgens de overlevering kwam dat doordat Steen zelf zijn beste klant was en niet voldoende bier leverde. Klanten kwamen soms vergeefs aan de deur. Steens echtgenote vond dat hij de brouwerij levendig moest houden. Kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken tekende op welke doldwaze oplossing Steen bedacht zou hebben om zijn Griet tevreden te stellen.

Hij liet de grote brouwketel vullen met water en mout. Op de markt kocht hij een paar eenden. Die liet hij los in de ketel. De eenden raakten in paniek toen ze in het gekke mengsel zwommen en begonnen wild door de brouwerij te vliegen. Ze veroorzaakten zo’n tumult dat Griet er op afkwam. Steen zou gezegd hebben: “Is het nou niet levendig in de Brouwery?” Griet deed het enige zinnige wat een echtgenote in zo’n situatie kan doen: ”… schoon zy daar niet veel lust toe had, zig evenwel niet konde onthouden van lachern om zyn potsig bedryf.”

De Delftse brouwerij van Steen was maar een kort leven beschoren. Als schilder was hij beduidend succesvoller. Maar het gezegde ‘Leven in de brouwerij brengen’ doorstond de eeuwen wel. Het Van Dale Groot Uitdrukkingenwoordenboek dicht het toe aan Jan Steen. Tot op heden heeft niemand kunnen bewijzen dat de herkomst anders was. Wat maakt het ook uit? Het is gewoon een goed verhaal.

Sandra van Berkum is kunsthistorica, auteur en voice over. Ze drinkt geen bier. Deze blog is geschreven op persoonlijke titel.

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.