Zilveren jubileum

Zilveren jubileum

[2023] Precies vijfentwintig jaar geleden trad ik in dienst van het Centraal Brouwerij Kantoor. Die vereniging staat nu bekend als Nederlandse Brouwers. Daarmee vier ik vandaag mijn zilveren jubileum als bierprofessional. Een mooie gelegenheid om mijn zilveren bierpul maar eens op te poetsen. Zo’n jubileum nodigt uit om terug en vooruit te kijken. En als ik dat doe, verbaas ik me erover hoe actueel de vragen waar ik toen mee bezig was nog altijd zijn. Sterker nog, het lijkt alsof er een soort hernieuwde belangstelling is ontstaan.

Duurzaamheid in de biersector is met de huidige prijzen voor gas en elektriciteit actueler dan ooit. Jaren geleden ontwikkelde het CBK een wereldwijde benchmark voor energiegebruik waaruit bleek dat de Nederlandse brouwerijen tot te beste ter wereld behoren. Toch blijft het brouwen van bier een behoorlijk energie-intensieve activiteit. Het is een cyclus van verwarmen, afkoelen, weer verwarmen en weer afkoelen. Ondanks alle innovaties blijft het brouwproces nog tamelijk traditioneel. De zuinigste brouwerijen werken inmiddels met groene energie en winnen zoveel mogelijk ervan terug. Ze zijn zuinig met water. Maar ook als consument zijn we behoorlijk traditioneel. We willen geen bier uit anonieme hypermoderne bierfabrieken waar het gemaakt is met processen die gebruik maken van enzymen die niet uit gerst of gist zelf komen. Bier moet wel een beetje echt blijven.

Het energieverbruik van de sector gaat verder dan alleen het verbruik binnen de brouwerij zelf. De hele keten heeft een rol te spelen. Ook wij als consument. We drinken ons bier het liefst koud. Gelukkig is de gekte van ‘icecold’ voorbij, maar bier moet nog steeds uit de koelkast komen. Zijn we bereid om ons pils wat warmer te drinken, zeg op zo’n 7 tot 8 graden in plaats van 4 à 5? En als je als bierliefhebber een eigen koelkastje voor bier hebt, is dat dan een energieslurpend afdankertje of een hypermodern A+++ exemplaar? Ik ben bang dat ik zelf in ieder geval tonnen boter op m’n hoofd heb. En ik zal niet de enige zijn.

Zelfs de hervulbare bierfles, die vijfentwintig jaar geleden de markt nog domineerde, lijkt zich in hernieuwde belangstelling te kunnen verheugen. Het gemeenschappelijke retoursysteem werd door marketeers aan flarden geschoten. ‘Een bruin communistenflesje’ noemde de verkoopdirecteur van Grolsch het ooit. Het was lastig om je daarmee te onderscheiden, zeker in een tijd dat er weinig meer dan eenvormig pils te krijgen was. Voor ieder merk kwam een eigen fles, al dan niet hervulbaar. Blik werd populair. Inmiddels is de bierkeuze gigantisch veel groter (ook van bieren die op hogere temperatuur pas tot hun recht komen). Het gebruik van eenmalige verpakkingen wordt ingeperkt. Vanaf april hebben we in Nederland statiegeld op blik. Het is een kwestie van tijd voordat de glazen fles volgt. Tot m’n stomme verbazing wil Europa daarbij voor bier een strenger beleid voeren dan voor wijn of conserven. Dat is best bizar.

Wat vijfentwintig jaar geleden minder in de belangstelling stond, was het directe effect van klimaatverandering op de beschikbaarheid van gerst en hop. Het probleem was nog niet zo acuut als nu. Brouiwers moeten op zoek naar andere gerstrassen en hopvariëteiten, die bestand zijn tegen warmere en drogere zomers en toekunnen met minder stikstof. Er komen weer vijfentwintig boeiende jaren aan. Op naar een biergouden jubileum!

Geen reactie's

Geef een reactie