21 aug Lakenhal
[2026] Dit weekend in de Lakenhal voor het laatst de tentoonstelling “Leven in de brouwerij” te zien over de schilder Jan Steen. Steen is met afstand de meest bierige van alle Hollandse meesters uit de 17e. Zijn kroegtafrelen zijn legendarisch en geven een mooi inkijkje in de manier waarop de zeventiende eeuwers van hun bier genoten. Steen werd precies vierhonderd jaar geleden geboren als zoon van een Leidse brouwer. Het moet vader Havick goed gegaan zijn, want hij stuurt z’n zoon eerst naar de Latijnse school. De verhalen uit de klassieke mythologie zijn een belangrijke inspiratiebron voor hem. Zo hangt er een schilderij waarop de Romeinse godin Ceres afgebeeld staat. Je herkent haar aan de korenaren in het haar. Het latijnse woord voor bier, cerevisia, is een eerbetoon aan haar: de drank van Ceres. Je herkent het tot op de dag van vandaag terug in het Spaanse woord cerveza.
Op z’n twintigste schrijft Jan Steen zich in op de letterenfaculteit van de universiteit. “Waarschijnlijk vanwege de vrijstelling op wijn- en bieraccijnzen en ontheffing van de schutterij”, schrijft de curator van de tentoonstelling fijntjes. Dat was nog eens een tijd! Studenten werden vrijgesteld van accijns op bier (en wijn). Moet je daar nu eens om komen. Van de prijs van een krat goedkoop studentenbier is al snel de helft belasting (accijns en BTW). De Nederlandse Brouwers zelf adviseert ‘zebra-drinken’: om en om een bier en iets zonder alcohol (wat overigens ook een bier kan zijn). Aan de andere kant, de liederlijke kroegtafrelen in de schilderijen van Steen laten zien dat het drinken destijds ook wel door kon slaan. Een paar jaar later schrijft hij zich als schilder in bij het St. Lucasgilde.
Jan Steen verhuist naar Den Haag (waar Sandra van Berkum in een eerdere blog over schreef) en later naar Delft, waar hij een brouwerij huurt. Hij stapt in de voetsporen van zijn vader. Van alleen schilderen kan hij niet leven. Uiteindelijk keert hij terug in Leiden, waar hij herberg De Vreede aan de Langebrug (tussen nummers 89 en 91a) gaat uitbaten. Het groeit uit tot een soort kunstenaarssociëteit.
De curator heeft scholieren gevraagd om een reactie te schrijven op de verschillende schilderijen die er hangen. Bij het beroemde schilderij van een taveerne tijdens Prinsjesdag: “Heel dicht bij mijn huis is ook een kroeg. Altijd als je daarlangs loopt, dan ruik je altijd zoiets, van een beetje wat je meestal niet zo ruikt.” Over Prinsjesdag gesproken: laten we hopen dat de regering hun onzalige plannen om de accijns verder te verhogen laat varen. Of tenminste accijnsvrijstelling aan zebradrinkenden studenten verleent.
Ook na het einde van de tentoonstelling is de Lakenhal de moeite om te bezoeken. Een beetje achteraf ligt de ‘Bierbrouwerskamer’, een stijlkamer met prachtig beschilderde behangsels uit het einde van de 18e, gemaakt door Hendrik Meijer. Ze zijn niet in topconditie helaas en door het daglicht niet goed te zien. Het interieur komt uit de voormalige vergaderkamer van het Sint Stevensgilde, het bierbrouwersgilde van Leiden. Wie bij wil dragen aan de broodnodige restauratie kan contact opnemen met het museum. De stijlkamer wordt gedomineerd door een gestucte schouw met de kop van Bacchus, de Romeinse god van feesten en drinken, zoals ook Jan Steen ongetwijfeld op de Latijnse school geleerd heeft. Z’n Prinsjesdag kun je gerust een bacchanaal noemen.
Geen reactie's